Leider ist dieser Text nicht auf Deutsch verfügbar. Originaltext: nl
Beet the system: Artikel 5

De grote vlees- en zuivelbedrijven warmen de aarde op

De organisatie GRAIN steunt boeren en sociale bewegingen in hun strijd om de controle van gemeenschappen over voedselsystemen die de biodiversiteit behouden, te versterken.

Dit jaar halen de grote bedrijven in de vleessector waarschijnlijk recordwinsten binnen. Cargill, de grootste producent ter wereld van gehakt rundsvlees, verdubbelde zijn winst in het vierde trimester van het voorbije jaar. Ook de verkoopcijfers van Tyson Foods, het grootste vleesbedrijf van de Verenigde Staten, gaan omhoog. Voormalig CEO Tom Hayes stelde het departement rundvlees aan zijn investeerders voor als "de melkkoe van Tyson Foods". Maar zijn de aanzienlijke winsten van deze bedrijven wel te verenigen met hun recente engagementen om tegen klimaatverandering te strijden?

Om het zonder omwegen te zeggen: dat zijn ze niet. Industriële veeteelt is één van de voornaamste oorzaken van de opwarming van onze planeet. De weinige vlees- en zuivelbedrijven die beweren hun uitstoot te willen verminderen, doen eigenlijk precies het omgekeerde.

We baseerden ons op de meest recente en internationaal meest erkende metingen om de klimaatvoetafdruk van de 35 grootste vlees- en zuivelproducenten te evalueren. We constateerden dat ze horen bij de grootste verantwoordelijken voor de uitstoot van broeikasgassen (BKG) in deze wereld. De jaarlijkse, gezamenlijke BKG-uitstoot van de 5 grootste vlees- en zuivelbedrijven lag vorig jaar hoger dan die van Exxon (zie grafiek). De gezamenlijke emissies van het grootste zuivelbedrijf in Denemarken, Arla, en het grootste vleesbedrijf, Vion, vertegenwoordigen 80 % van de emissies van hun land. JBS en Tyson, de bedrijven met de grootste uitstoot in deze categorie, vervuilen meer dan sommige landen (respectievelijk Nederland en België).

We evalueerden de engagementen die deze bedrijven aangingen om hun buitensporige klimaatvoetafdruk te verkleinen. We namen hun emissierapporten door en bekeken hun doelstellingen voor de vermindering van hun uitstoot. We stelden vast dat de grote meerderheid van deze bedrijven op deze twee gebieden falen.

De meerderheid van de 35 grootste vlees- en zuivelproducenten rapporteren niet of laten de upstream emissies uit hun totaal berekeningen weg. De ontbrekende cijfers geven een heel verschillend resultaat. Upstream emissies zoals bijvoorbeeld oprispingen van koeien, mest of voederproductie zijn meestal goed voor 80 à 90 % van de totale uitstoot van deze bedrijven. We ontdekten dat amper 4 bedrijven hun uitstoot op een complete manier in kaart brachten.

Verder werkten maar weinig bedrijven in de vlees- en zuivelsector aan serieuze plannen voor het verlagen van hun uitstoot. Slechts de helft van de 35 belangrijkste producenten hebben hiervoor doelstellingen. Amper 6 bedrijven onder hen hielden ook rekening met upstream emissies.

Maar het overduidelijke probleem, waar niemand het over heeft, is dat deze bedrijven hun vlees- en zuivelproductie opdrijven via methodes die hun totale uitstoot verhogen. Dat gaat in tegen alle acties die we moeten ondernemen om ons te beschermen tegen de klimaatcatastrofe.

Als de vlees- en zuivelproductie toenemen zoals de VN dit voorspelt, zou de wereldwijde veeteeltsector tegen 2050 verantwoordelijk zijn voor zo’n 80 % van de totale uitstoot die toegelaten is als we onder de limiet van 1,5°C willen blijven.

Willen we nog een kans hebben om de ergste gevolgen van klimaatverandering te vermijden, dan moet de totale vlees- en zuivelproductie naar omlaag. Dat is in het bijzonder het geval voor landen waar grote vlees- en melkbedrijven de markt domineren, zoals de V.S., Brazilië, Nieuw-Zeeland en Europa, waar zowel van overproductie als van overconsumptie sprake is. Het is mogelijk om de uitstoot naar beneden te brengen dankzij agro-ecologische praktijken die het milieu beschermen en de landbouw veerkrachtiger maken. Maar de lagere uitstoot wordt tenietgedaan als deze grote bedrijven druk blijven uitoefenen om steeds maar verder te groeien, wat de uitstoot globaal gezien omhoog drijft.

Laten we er geen doekjes om winden: het industriële systeem voor landbouw en voedselvoorziening is het probleem. In lokale en kleinschalige systemen kunnen vlees en zuivel een rol spelen. Als we ze met mate verbruiken, kunnen ze deel uitmaken van een gezonde voeding. Maar wat echt voor milieu- en gezondheidsproblemen zorgt, is de industriële, grootschalige productie, die massaal goedkope consumptiegoederen op de wereldmarkt brengt. Dit systeem kan niet blijven duren, het is letterlijk de planeet aan het opbranden.

We denken dat het hoog tijd is om ons te verzetten tegen de controle die deze bedrijven uitoefenen op het wereldwijde voedselsysteem. Hun productiemethodes warmen de planeet op. Deze bedrijven zijn ook de motor van een productiesysteem voor vlees en zuivel dat vervuiling, grootschalige ontbossing en biodiversiteitsverlies veroorzaakt. Het verjaagt boeren van hun land, doet nieuwe ziektes verschijnen en bedreigt de doeltreffendheid van vitale antibiotica. Tegelijkertijd betalen deze bedrijven hun aandeelhouders dividenden, verkregen dankzij de uitbuiting van boer.inn.en, arbeiders en dieren.

WAT WE MOETEN DOEN

Oplossingen bestaan, maar we moeten daarbij rekening houden met de enorme macht van de wereldhandel in vlees en zuivel. We kunnen ermee stoppen vlees of zuivel uit industriële productie te kopen. In plaats daarvan moeten we steun bieden aan duurzame kleine bedrijven. Enkele specifieke voorstellen:

EEN ANDERE BESTEMMING GEVEN AAN SUBSIDIES

• De industriële productie van vlees en zuivel ontvangt steun via enorme sommen belastinggeld. Alleen al in 2013 betaalden de regeringen van de OESO-landen ongeveer 53 miljard dollar. China en Brazilië besteden ook veel publieke fondsen aan de ontwikkeling van hun eigen transnationale vlees- en zuivelbedrijven.

• We moeten een jaarlijkse inventaris opmaken van publieke subsidies, kredieten et andere fiscale steunmaatregelen voor grote industriële infrastructuren, zodat we die steun kunnen schrappen.

• Publieke fondsen zouden eerder steun moeten bieden aan kleine producenten die geïntegreerde agro-ecologiscche methodes gebruiken voor landbouw en pastorale veeteelt. Deze fondsen zouden ook steun kunnen bieden aan grotere bedrijven die omschakelen op deze methodes.

• Deze gelden kunnen ook besteed worden aan de bouw of renovatie van lokale infrastructuren (slachthuizen, verwerking van vlees en melk, wegen, afvalwaterverwerking, enz.) die lokale vlees- en zuivelmarkten helpen ontwikkelen.

NIET LANGER INVESTEREN IN DE VLEES- EN ZUIVELINDUSTRIE

• De steeds grotere productie en consumptie van industriële vlees- en zuivelproducten dient de belangen van de vlees-en zuivelbedrijven. Al verschillende malen hebben deze bedrijven stokken in de wielen gestoken van overheidsinitiatieven die de vraag naar hun producten zouden kunnen verminderen.

• Banken en andere institutionele investeerders moeten rekening afleggen over de reële kost van hun investeringen in de agro-industrie, in het bijzonder over de koolstofuitstoot en het klimaatrisico die eraan verbonden zijn. Ze moeten hun geld terugtrekken uit bedrijven die het klimaat schaden.

• Koolstofkredieten en koolstofcompensatie versterken de ongebreidelde groei van industriële landbouwbedrijven en van het industriële model. Klimaatfondsen zouden eerder moeten bijdragen aan de veerkracht van landbouw en veeteelt, door geïntegreerde agro-ecologische methodes te steunen en nieuwe projecten op te starten.

• De ongewenste invloed van vlees- en zuivelbedrijven en hun lobby’s op beslissingsprocessen die het belang van de gemeenschap dienen, moet verhinderd worden.

• Er moet een einde komen aan partnerschappen tussen publieke instellingen en privébedrijven die grootschalige, intensieve veeteelt promoten.

EEN EINDE MAKEN AAN DE ZOGENAAMDE AKKOORDEN VOOR VRIJHANDEL EN INVESTERINGEN

Handels- en investeringsverdragen (TTIP, CETA, RCEP en andere) vergroten de wereldmarkten voor vlees en melk. Deze verdragen maken dumping mogelijk van vlees, zuivel en veevoeder tegen lage prijzen. Ze verhinderen een beleid dat lokale leveranciers bevoordeelt en zetten een rem op reglementering die deze praktijken ontmoedigt. Een paar voorbeelden:

• Zo’n 70 miljoen zuivelbedrijven in India worden rechtstreeks bedreigd door het handelsverdrag RCEP dat momenteel onderhandeld wordt met Nieuw-Zeeland, een grote zuivelproducent en uitvoerder van goedkope poedermelk;

• Veetelers en herders, van Senegal tot Zuid-Afrika, zouden hun inkomen kunnen verliezen door een « Economisch Partnerschapsakkoord » dat hun regeringen bespreken met de Europese Unie. Dit akkoord zet de deur wijd open voor dumping op Afrikaanse markten van goedkope zuivelproducten uit Europa;

• Door de « Overeenkomst voor de handel in diensten », waar 48 landen momenteel over onderhandelen, zouden overheden onmogelijk de nodige maatregelen kunnen nemen om de uitstoot van veeteeltbedrijven te verminderen;

• PPT, TTIP en CETA zijn verdragen die streven naar de deregulering van normen voor voeding, de goedkeuring van GGO’s en de ontmanteling van milieu- en gezondheidsreglementering. Grote bedrijven zien deze reglementering als een obstakel voor winst. Deze verdragen zouden het in de toekomst moeilijker maken om industrieën te reguleren en te hervormen.

Aan deze akkoorden moet een einde komen. In plaats daarvan hebben we initiatieven nodig waardoor gemeenschappen en landen hun lokale markten kunnen ontwikkelen via samenwerking en wederzijdse steun.

VLEESCONSUMPTIE VERMINDEREN EN OVERCONSUMPTIE DE WERELD UITHELPEN

• Het is van cruciaal belang om de consumptie van industriële vlees- en zuivelproducten te verminderen. Het gaat hierbij vooral om rood vlees. In Noord-Amerika, Europa, Brazilië en China is de overconsumptie het grootst.

• Om dit te bereiken is het belangrijk om industriële vlees- en zuivelproducten duurder te maken: door hun reële kost in de prijs te rekenen, de subsidies af te schaffen, de industrie te reguleren en fiscale maatregelen in te voeren.

• Sensibiliseringsprogramma’s en campagnes in de media kunnen het publiek informeren over deze kwesties en collectieve actie aanmoedigen.

• Publieke diensten (scholen, ziekenhuizen, enz.) zouden vanaf vandaag industriële vlees- en zuivelproducten van het menu kunnen schrappen. In plaats daarvan kunnen ze zich bevoorraden via korte ketens en kleine leveranciers, met duurzame praktijken.

KLEINE PRODUCENTEN EN LOKALE MARKTEN STEUNEN

• Meer dan 600 miljoen kleine producenten en 200 miljoen herders leven van de veeteelt. Ze leveren iedere dag voedsel aan miljarden mensen: vlees, zuivelproducten en eieren van uitstekende kwaliteit, geproduceerd op een duurzame manier. Ze hebben dringend de aandacht en steun van het publiek nodig!

• Het beleid en de overheidsprogramma’s zouden steun en bescherming moeten bieden aan kleine producenten en lokale markten.

• Veetelers hebben recht op steun om agro-ecologische productiemethodes toe te passen. Dankzij deze methodes, zoals vruchtwisseling of maatregelen voor bodembeheer, kunnen ze de uitstoot van broeikasgassen verminderen.

• We moeten investeren in projecten die gedragen worden door gemeenschappen, en steun geven aan initiatieven die deze praktijken willen verspreiden en een gedecentraliseerd voedselsysteem willen opbouwen.

Dit artikel is gebaseerd op twee rapporten die de volledige referenties en bronnen bevatten:

- GRAIN/IATP, Juillet 2018: Émissions impossibles : Comment les grandes en-treprises du secteur de la viande et des produits laitiers réchauffent la planète (https://www.grain.org/e/5997)

- GRAIN: Fevrier 2017: Pour sauver le climat, il faut prendre le taureau par les cornes : réduisons la consommation de viande et de produits laitiers industriels (https://www.grain.org/e/5647)